
Over de aanbevolen beleggingsperiode van 10 jaar streeft het subfonds ernaar een gemiddeld netto jaarlijks financieel rendement te behalen van tussen de 9% en 12% per jaar (na aftrek van kosten). De strategie is gericht op het genereren van absoluut rendement, onafhankelijk van marktcycli, en niet op het volgen van traditionele benchmarks. Er wordt geen kapitaalgarantie geboden.

Naast de algemene risico’s die worden beschreven in hoofdstuk 3 van het (algemene) prospectus en de hierboven onder “Rendement & Risico” uiteengezette punten, is dit subfonds onderworpen aan de volgende specifieke risico’s. De onderstaande lijst is niet uitputtend: er kunnen zich ook andere risico’s voordoen die hier niet worden genoemd en die van invloed zijn op de waarde van een belegging in het subfonds.
Bij de aankoop van participaties moeten alle risico’s integraal en op evenwichtige wijze worden afgewogen; het is niet mogelijk om één van deze risico’s aan te merken als aanzienlijk wezenlijker dan de andere. Ze beïnvloeden elkaar en kunnen in combinatie de waarde van de beleggingen in aanzienlijke mate negatief beïnvloeden.
Het subfonds is illiquide. Het subfonds belegt voornamelijk in niet-beursgenoteerde fondsen en ondernemingen. Dergelijke beleggingen die verband houden met private equity zijn doorgaans van nature illiquide en niet beursgenoteerd. Voor dergelijke beleggingen bestaat doorgaans geen actieve secundaire markt. Private-equitybeleggingen worden bovendien vaak aangegaan voor een vaste looptijd. Dit alles betekent vaak dat de beleggingen tussentijds moeilijk, traag of slechts onder voorwaarden verkoopbaar zijn, aan beperkingen onderhevig zijn of gepaard gaan met extra kosten. De onderliggende fondsen waarin wordt belegd, kunnen de liquiditeit van hun participatierechten verder beperken of (tijdelijk) volledig uitsluiten. Voorts zijn vaak slechts een beperkt aantal partijen bereid of bevoegd om belangen in de onderliggende fondsen (zogenaamde ‘secondaries’) te verwerven via een secundaire verkoopmarkt, die doorgaans beperkt is of zelfs geheel ontbreekt. Hierdoor is het voor het subfonds — en daarmee voor de participanten — moeilijker om beleggingen op korte termijn of tegen marktconforme prijzen te realiseren; de beleggingen zijn derhalve illiquide. Een vervroegde uitstap kan bovendien gepaard gaan met extra kosten en/of ongunstige voorwaarden.

Het rendement hangt in grote mate af van de prestaties van de onderliggende private-equityfondsen die door het subfonds zijn geselecteerd, en van de strategieën die deze fondsen hanteren. Het subfonds beperkt dit risico door te spreiden over meerdere fondsen, sectoren en regio’s. De onderliggende posities worden periodiek gemonitord en waar mogelijk en nodig wordt herallocatie toegepast. Hierdoor zijn beleggingen in private markten alleen geschikt voor beleggers die bereid zijn kapitaal voor de lange termijn vast te leggen; dit blijkt ook uit de lock-up-periode van drie (3) jaar en de aanbevolen beleggingshorizon van 10 jaar, zoals hieronder nader beschreven.
Deelname aan het subfonds houdt in dat men belegt in een portefeuille van zorgvuldig geselecteerde fondsen en bedrijven – doorgaans niet beursgenoteerd en met een langetermijnvisie – in het kader van doelgericht kapitaal. Deze structuur biedt kansen, maar brengt ook specifieke risico’s met zich mee die hier – naast de algemene beleggingsrisico’s – worden vermeld.
Gezien de aard van de beleggingen richt het Subfonds zich op beleggers met een beleggingshorizon van ten minste tien (10) jaar. Gedurende deze periode kan het ingelegde kapitaal niet, of slechts in beperkte mate, worden geheralloceerd, herbelegd of terugbetaald. Herallocatie binnen de portefeuille – bijvoorbeeld als gevolg van gewijzigde marktomstandigheden of strategische overwegingen – kan niet op korte termijn worden uitgevoerd. Deelnemers dienen daarom over voldoende extra liquiditeit te beschikken, los van hun deelname in het Subfonds, om aan lopende verplichtingen of persoonlijke uitgaven te kunnen voldoen.
De onderliggende fondsen beleggen doorgaans in niet-beursgenoteerde ondernemingen die actief zijn in groeiende sectoren of niches. Deze ondernemingen kunnen kwetsbaar zijn voor risico’s zoals onervaren of wisselend management, een gebrek aan schaalgrootte of structuur, veranderende regelgeving, concurrentiedruk, gebrekkige transparantie en een beperkt trackrecord. Ondanks een zorgvuldige selectie door het subfonds kan dit leiden tot waardeverlies als gevolg van falende uitvoering, marktverstoring of onverwachte externe factoren.
Aangezien de activa waarin het subfonds belegt niet (regelmatig) verhandelbaar zijn op openbare markten, worden waarderingen vaak vastgesteld op basis van interne modellen, vergelijkbare transacties of schattingen door fondsbeheerders. Dit brengt risico’s met zich mee, zoals onnauwkeurigheid, subjectiviteit of schommelingen. De vastgestelde intrinsieke waarde (NAV) per participatie kan daardoor afwijken van de prijs die bij een daadwerkelijke verkoop van de activa zou kunnen worden gerealiseerd. Hoewel waarderingen periodiek en onafhankelijk worden getoetst, blijft onzekerheid over de waardering inherent aan beleggingen in private equity.
Het subfonds belegt uitsluitend via onderliggende fondsen die door externe fondsbeheerders worden beheerd. Hierbij verwerft het subfonds doorgaans geen meerderheidsbelangen. Als gevolg daarvan heeft het subfonds — en daarmee de participanten — geen of slechts beperkte zeggenschap over beleggingskeuzes, het tijdstip van beleggingen of exits, of de wijze waarop de ondernemingswaarde wordt gerealiseerd.
Private-equitybeleggingen vertonen vaak een zogenaamde J-curve: in de eerste jaren van de levenscyclus van het fonds worden kosten gemaakt en beleggingen opgebouwd, waardoor de intrinsieke waarde aanvankelijk kan dalen. Rendementen ontstaan doorgaans pas in een latere fase van de levenscyclus, bij succesvolle exits of liquidaties van de onderliggende ondernemingen. Vertragingen bij, of het uitblijven van, dergelijke exits – bijvoorbeeld door macro-economische omstandigheden, geopolitieke spanningen of tegenvallende groei – kunnen een aanzienlijke negatieve invloed hebben op het rendement van het subfonds. Beleggers dienen er rekening mee te houden dat dit patroon inherent is aan private-equitybeleggingen.
Het subfonds maakt geen gebruik van structurele hefboomfinanciering. Er kan tijdelijk externe financiering worden aangetrokken, tot een maximum van 25% van de intrinsieke waarde (NAV), uitsluitend om kortlopende verschillen tussen inkomende en uitgaande kasstromen te overbruggen. Deze overbruggingsfinanciering is van beperkte duur en dient uitsluitend liquiditeitsdoeleinden; dit betekent dat het risicoprofiel van het fonds op de lange termijn niet wezenlijk verandert.
De onderliggende fondsen kunnen echter wel gebruikmaken van vreemd vermogen en hefboomfinanciering om het rendement te verhogen. Dit kan ertoe leiden dat verliezen worden versterkt bij tegenvallende prestaties of beperkte toegang tot financiering. Deelnemers worden hierdoor indirect blootgesteld aan de gevolgen van hefboomeffecten, zoals verhoogde volatiliteit en waardeverlies.
Bij de selectie van fondsen beoordeelt het subfonds expliciet het hefboombeleid, de transparantie daarover en het bijbehorende risicobeheer. Fondsen met buitensporige of onvoldoende onderbouwde hefboomstructuren worden uitgesloten. Deze beoordeling biedt geen garantie op risicobeperking, maar maakt deel uit van het bredere risicobeheerskader van het subfonds, zoals beschreven in dit prospectus.
Het aanhouden van kasreserves is noodzakelijk voor liquiditeitsbeheer. Het subfonds houdt voortdurend liquide middelen aan om te kunnen voldoen aan toekomstige verzoeken tot uitstap, openstaande verplichtingen jegens onderliggende fondsen (kapitaaloproepen) en om flexibiliteit te behouden voor nieuwe investeringsmogelijkheden. Zolang deze middelen nog niet zijn belegd, wordt er op dit deel weinig tot geen rendement behaald. Dit kan ertoe leiden dat het nettorendement van de totale portefeuille tijdelijk lager uitvalt.

Hoewel uitstappen in beginsel per kwartaal mogelijk is, zijn er structuren ingebouwd die vroegtijdige uitstroom ontmoedigen. Er geldt een initiële lock-up-periode van drie (3) jaar, er worden afnemende uitstapkosten in rekening gebracht naarmate de bezitsperiode langer is, en bij uitstap binnen tien (3) jaar wordt een marktconforme korting op de intrinsieke waarde (NAV) toegepast. Bovendien is het volume aan in een kwartaal te verwerken terugkoopverzoeken gemaximeerd. Onder uitzonderlijke marktomstandigheden kan het subfonds terugkoopverzoeken geheel of gedeeltelijk uitstellen of weigeren.

Onder duurzaamheidsrisico verstaat het Subfonds een gebeurtenis of omstandigheid die een potentieel wezenlijk negatief effect kan hebben op milieu-, sociale of governancefactoren en die, indien deze zich voordoet, een wezenlijk negatief effect kan hebben op de waarde van een belegging. Met deze risico’s wordt rekening gehouden tijdens het due-diligenceonderzoek op het niveau van de onderliggende fondsen (zie Bijlage V), maar ze kunnen nooit volledig worden uitgesloten. Voor een gedetailleerde toelichting op het duurzaamheidsbeleid van het Subfonds en de verplichte SFDR-informatie wordt verwezen naar de rubriek ‘Duurzaamheidsbeleid (SFDR)’ en naar Bijlage V van dit Prospectus.
Het subfonds belegt wereldwijd via fondsen die zijn uitgedrukt in andere valuta dan de euro, zoals de Amerikaanse dollar (USD), het Britse pond (GBP) of valuta van opkomende markten. Wisselkoersschommelingen ten opzichte van de euro kunnen daarom een positieve of negatieve invloed hebben op het rendement. Valutarisico’s worden in principe niet structureel afgedekt, maar in individuele gevallen kan het fonds ervoor kiezen om het valutarisico (gedeeltelijk) af te dekken. Als gevolg hiervan kan het fonds uiteindelijk een hoger of lager eurobedrag moeten uitbetalen dan aanvankelijk verwacht, afhankelijk van de ontwikkeling van de wisselkoers tussen de toezegging en de betaling.
Het subfonds kan incidenteel gebruikmaken van valutatermijncontracten om valutarisico’s af te dekken.
Veranderingen in macro-economische omstandigheden, verwachtingen omtrent rentetarieven en inflatie, of sectorspecifieke schokken kunnen de waardering van de onderliggende fondsen negatief beïnvloeden. Aangezien de onderliggende beleggingen beperkt verhandelbaar zijn, kan het subfonds marktschommelingen niet neutraliseren.
Voor de uitvoering van transacties en de bewaring van activa is het subfonds afhankelijk van externe dienstverleners (fondsbeheerders, bewaarder, administrateur en andere tegenpartijen). Faillissement, wanprestatie of operationele fouten aan de zijde van deze partijen kunnen leiden tot financiële verliezen of vertragingen bij uitkeringen. Het subfonds houdt toezicht op deze partijen door middel van ‘due diligence’-onderzoek en periodieke controles, maar kan deze risico’s niet volledig uitsluiten.

Het risico dat de strategieën de situatie verkeerd inschatten en/of dat er verstoringen optreden bij de uitvoering. Dit risico wordt zoveel mogelijk beperkt door de modellen periodiek te evalueren en de uitvoering ervan regelmatig te monitoren.
Verzeker u van een plek op onze besloten wachtlijst voor vroege toegang tot de verschillende niveaus.
We've got your details. Keep an eye on your inbox.